Grootmoeders tips uit 1920

uit het boekje: "De rechterhand der huisvrouw"

 

BEWAREN EN VERSHOUDEN VAN LEVENSMIDDELEN.
KOOKADVIEZEN.
NUTTIGE WENKEN VOOR DE HUISHOUDING.
HET VERWIJDEREN VAN VLEKKEN.
SCHOENEN EN HUN BEHANDELING.
BLOEMEN EN HUN VERZORGING.
BELANGRIJKE TUINADVIEZEN.
HUISDIEREN EN HUN VERZORGING.
HET VERDELGEN VAN ONGEDIERTE.
LICHAAMS-, GEZONDHEIDS- EN SCHOONHEIDSVERZORGING.

 

BEWAREN EN VERSHOUDEN VAN LEVENSMIDDELEN.

1. Levensmiddelen mag men niet in koperen potten en pannen bewaren, omdat koper oxydeert.

2. Restjes van het middagmaal bewaart men het best in glazen vaatwerk, daar ander gerei gemakkelijk de smaak aanneemt.

3. Jonge groenten blijven vrij lang goed in een stenen kom, waarin men ze met een vochtige doek afdekt.

4. Sla en groente blijven vers, wanner men ze in vochtig papier wikkelt.

5. Tomaten kan men tamelijk lang bewaren, wanner men ze in papier gewikkeld in een koele kelder legt.

6. Tomaten mogen niet aan vorst blootgesteld worden. Evnetueel nog groene vrucht rijpen in de kamer.

7. Uien, die nat geworden zijn en op het punt staan te rotten, houdt men goed, wanneer men ze naar een rokerij brengt en daar ongeveer 15-20 min. rookt of op een andere manier er flink rook in laat trekken.

8. Citroenen blijven goed, wanneer men ze stuk voor stuk in papier wikkelt en ze zo in droog zand legt, waarop men wat azijn gegoten heeft.

10. Citroenen blijven maandenlang goed, wanneer ze in turfmolm bewaard worden.

11. Noten kan men goed houden door ze in droog zand te bewaren.

12. Verschrompelde noten maakt men weer fris door er zout heet water op te gieten. Is het water afgekoeld, dan kan men ze van de schil ontdoen.

13. Honing onderzoekt men, doordat men een kleine lepel goed door spiritus roert. Natuurhoning lost op. Wanneer er een neerslag ontstaat of wanneer de oplossing troebel wordt, is de honing vervalst.

14. Goed en slecht meel onderscheidt men, wanneer men een handvol samenperst. Goed meel plakt, slecht niet.

15. Brood blijft vers, wanneer men het in een stenen pot doet en deze met een vochtige doek bedekt.

16. Vlees en wordt blijven in de zomer vers, wanneer men ze in de oven (kachel) legt.

17. Rauw vlees blijft vers, wanneer men het met azijn afwrijft, daardoor wordt het ook zachter.

18. Vlees blijft goed, wanneer men wat zout en suiker in een weinig azijn oplost en enige minuten opkookt en met deze substantie het vlees bestrijkt.

19. Vlees blijft vers wanneer men het zo in een pot legt, dat er onder het vlees azijn is, zonder dat het vlees zelf met de azijn in aanraking komt.

20. Gerookt vlees en ham beschermt men tegen vleesvliegen en maden, wanneer men het stevig met vloeibaar gemaakt schape- of ossevet inwrijft en op een luchtige koele plaats bewaart.

21. Vlees blijft enige dagen vers, wanneer men het enige seconden in kokend water houdt.

22. Gesneden vlees, worst e.d. blijft enige dagen vers, wanneer men het in een pot doet en deze met een vochtige doek bedekt. Het vlees mag niet in aanraking komen met de vochtige doek.

23. Ham kan men ongeveer 2 jaar bewaren, wanneer men de vleeszijde met een flinke leemlap zo bestrijkt, dat deze bij het drogen een absoluut dichte kors geeft. Op het bot bijzonder dik insmeren. de ham mag pas bestreken worden, als hij droog is.

24. Schimmel op ham en worsten verwijdert men, doordat men een papje van keukenzout en water erover smeert. De schimmel verdwijnt dan dadelijk.

25. Eieren, ongewassen, zijn beter bestand tegen transport dan gewassen.

26. Onbevruchte eieren zijn het best geschikt voor winteropslag.

27. Eieren blijven op warme dagen goed, wanneer men ze in zout legt.

28. Eieren zijn gemakkelijk te houden, wanneer men ze 4-5 seconden in kokend water houdt en ze dan in lagen in een kist tussen haksel verpakt.

29. Eieren kan men bewaren, wanneer men ze met natte leek bedekt of in heet vet dompelt.

30. Eieren kan men jarenlang goed houden, wanneer men ze verscheidene malen in een tot op 38gr. C. verwarmde waterglasoplossing dompelt, goed afdroogt en op een houten rooster legt.

31. Te droge kaas legt men enige dagen in dikke zure melk. Hij wordt dan weer helemaal vers.

32. Om boter lange tijd vers te houden, giet men zout water erop, totdat ze helemaal daarmede bedekt is.

33. Ranzige boter kan men weer gebruiken, wanneer men ze smelt, afschuimt en een korst brood erin legt.

34. Ranzige boter kan men weer gebruiken, wanneer men ze met opgelost zuiveringszout kneedt, dat enige malen vernieuwd wordt.

35. Ranzig geworden spijsolie kan men weer gebruiken, wanneer men er enige druppels salpetergeest aan toevoegt, flink schudt en dan opwarmt.

36. Olie wordt niet ranzig, wanneer men van tijd tot tijd wat zout eraan toevoegt.

37. Gedroogde peulvruchten beschermt men tegen wormen, wanneer men ze met zout bestrooit en nu en dan door elkaar schudt.

38. Paddestoelen droogt men, doordat me ze in fijne schijven snijdt en ze in de zon legt. Door ze met gaas te bedekken, houdt men de vliegen op een afstand. Paddestoelen kan men ook in de oven drogen.

39. Zuurkool die op het punt staat te bederven, houdt men goed, wanneer men, telkens wanneer er een hoeveelheid uit het vat is geschept, aan het nat een glas brandewijn toevoegt.

40. Wil men komkommers lang vers houden, dan bestrijkt men deze met eiwit en hangt ze aan de steel op een koele plaats weg.

41. Verse vis kan men constateren, door met de vingers erop te drukken. Verdwijnt de indruk dadelijk, dan is de vis vers; zo niet dan is hij al wat ouder.

42. Vis kan men beter bewaren, wanneer men ze in een kom met zout water legt. Voor het koken goed afwassen.

43. Mosterd droogt niet in, wanneer men er wat zout doorheen mengt.

44. Tafelzout wordt niet vochtig, wanneer men in de zoutstrooier een paar korrels rijst doet; deze trekken het vocht aan.

45. Fruit houdt men zo mogelijk niet in een ruimte, waar aardappelen of groente liggen.

46. Appels moet men op planken leggen met de steel naar boven en wel in een donker gemaaktekelder. Nu en dan luchten, later niet meer nodig.

47. Appels legt men in kisten of vaten in zand en plaatst deze in een koele kelder.

48. Wanneer fruit door het opslaan een flauwe smaak heeft gekregen, of het aroma verloren heeft, dan moet men het enige dagen tussen wollen dekens leggen; het krijgt dan smaak en aroma weer terug.

49. Bevroren groente en fruit ontdooit men, doordat men het op een koele plaats in een zaekke zoutoplossing legt. Na het ontdooien op een luchtige plaats drogen.

50. Kersen kan men lang vers houden, wanneer men ze met steel plukt en in een goed gesloten fles begraaft.

51. Druiven (trossen) blijven tot het voorjaar vers, wanneer men ze, bijna rijp plukt, de opel plek met was besmeert en op een koele plaats ophangt.

52. Pruimen kan met op dezelfde wijze als druiven lang vers houden.


KOOKADVIEZEN.

53. Tijden die verschillende levensmiddelen nodig hebben om te verteren:

1 uur: gekookte rijst. Rijst is dus voedsel, dat gekookt het gemakkelijkst verteerd wordt.
1 1/2 uur: geklutste eieren, gerstesoep, gebraden wild, zacht gekookte appels en peren, fruit, als moes gekookt, gekookte zalm en gekookte forel, spinazie, asperges, gezeefde erwtensoep en bonen puree, gerstepap, gort.
2 uur: gekookte melk, rauw ei, gekookte gerst, gebraden osselever, gekookte zure appels, gekookte stokvis.
2 1/4 uur: verse, ongekookte melk, gestoofde kalkoen.
2 1/2 uur: gebraden kalkoen, gebraden wilde eend, gebraden lamsvlees, gebraden speenvarken, papates frites.
2 3/4 uur: pudding van eieren en melk, gebraden zacht rundvlees.

54: Te zoute spijzen worden weer genietbaar, wanneer men ze onder toevoeging van enige gesneden rauwe aardappelen nog eens eventjes opkookt. De aardappelen, die men weer verwijderen kan, nemen de zoute smaak weg.

55. Te zoute spijzen krijgen hun goede smaak weer terug, wanneer men een zilveren lepel laat meekoken.

56. Overkoken van melk voorkomt men, wanneer men wat boter aan de rand van de koker smeert.

57. Aangebrande melk kookt men met wat natrons nog eens op.

58. Verse melk blijft ongeveer een week zoet, wanneer men ze in flessen doet en in een waterbad tot op ongeveer 40-50 graden verwarmt en ongeveer 2 uur op deze temperatuur houdt. Na het afkoelen de flessen goed sluiten.

59. Melk wordt niet zuur, door er wat suker aan toe te voegen en wel ca. 1 eetlepen per liter.

60.Geschifte melk onderzoekt men met een roestvrije speld. Blijft er wat melk aan de punt hangen, dan is ze ongewaterd.

61. Melkpannen e.d. blijven zuiver, wanneer men ze eenmaal per week met rauwe aardappels uitkookt.

62. Gestremde melk wordt weer bruikbaar, wanneer men ze nog eens met wat potas opkookt.

63. Eieren kookt men b.v. op trektochten zonder vuur, wanneer men een stuk ongebluste kalk in water legt en de eieren erbij. *Kooktijd* 6 min.

64. In kalk ingelegde eieren kan met goed koken, wanneer men met een heel fijne naald erin steekt en ze met koud water opzet.

65. Kneuseieren kan men koken, wanneer men ze in zijdepapier wikkelt.

66. Muffe smaak van oude eieren gaat weg, wanneer men de schaal opent en de inhoud verscheidene uren aan de frisse lucht blootstelt.

67. Bevroren eieren worden weer genietbaar, wanneer men ze in koud water legt, waaraan men op 1 liter water ca. 2 eetlepels zout toevoegt.

68. Eiwit, in het bijzonder van ingelegde eieren, kan men beter kloppen, wanneer men wat citroensap erbij doet.

69. Paaseieren kleurt men groen in spinaziewater, blauw in lakmoes en soda.

70. Groente nooit lang in water latenstaan, maar dadelijk flink wassen.

71. Groente houdt bij het koken haar groene kleur, wanneer men de pan niet afdekt.

72. Groente ontdoet men van wormen en insecten, als men ze met zout water afwast.

72. Ramenas smaakt beter, als die niet lang aan de lucht blootgesteld is. Bij het meegeven voor het ontbijt verdient het aanbeveling hem niet te raspen, maar alleen in schijfjes te snijden.

74. Gestoofde rode kool wordt sneller gaar, wanneer men hem eerst alleen met suiker kookt en de azijn of citroen pas aan het einde erbij mengt.

75. Rode kool wordt goed smeuig, als men wat rijst erbij in kookt.

76. Geel geworden bloemkool kookt men door wat verse melk bij het kookwater te voegen, waardoor de kool weer wit wordt.

77. Soepen krijgen geen vlies, als men er kleine stukjes boter op doet.

78. Braadworsten springen niet open, als men ze in plaats van - wat zo gebruikelijk is - in heet water te leggen, voor het braden door wat koude melk rolt.

79. Vlees wordt pikanter door een ietsje azijn en suiker.

80. Taai vlees wordt gauwer mals door toevoeging van een beetje cognac.

81. Taai gevogelte wordt gauwer zacht gekookt, als men het voor het stoven resp. braden stevig met suiker inwrijft.

82. Gevogelte wordt bij het braden bijzonder sappig, als met het met citroen inwrijft, voor men het in de oven doet.

83. Vet wordt bij het braden mooi bruin door er wat melk aan toe te voegen.

84. Uienlucht in de koekepan verdwijnt, als men er wat azijn in giet.

85. Uien schilt men het beste onder de kraan. Dat voorkomt het zo lastige tranen der ogen.

86. Gebakken vis wordt pikanter, als men in het braadvet enige druppels citroen giet.

87. Vis kan men beter ontschubben, door ze korte tijd in azijn te leggen.

88. Aanzetten en aanbranden van rijst voorkomt men, als men de rijst rustig laat koken en niet roert.

89. Peulvruchten zout men pas na het koken, daar ze anders langer koken.

90. Erwtensoep kookt men practisch door er een snee brood in te doen. De erwten zakken niet op de bodem en branden niet aan.

91. Aardappels blijven, als men ze enige tijd warm moet houden, droof en kruimis, als men ze met een schone doek bedekt, die de waterdamp absorbeert.

92. Aardappels koken sneller, als men wat margarine er aan toevoegt en het zout pas even voor het gaar worden.

93. Aardappels van de vorige dag worden weer goed, als men ze in kokend zout water doet.

94. Zoet geworden aardappelen brengt men in een matig warm vertrek.

95. Oude aardappels krijgen een betere smaak, als men wat suiker bij de kookwater doet.

96. In de schil gekookte aardappelen kan men beter pellen, als men ze na het koken met koud water begiet.

97. Appels kan men gemakkelijker schillen, als ze een ogenblik in kokend water liggen.

98. Is er niet?????

99. Fruit kookt niet over, als men het met wat boter kookt.

100. Overkoken bij het inkoken van gelei wordt vermeden, als men voor elke hoeveelheid van een kilo een eetlepel glycerine erbij doet. Het product krijgt daardoor bovendien een mooie zijige glans.

101. Beschimmelde gelei ontdoet men voorzichtig van de schimmel en bestrooit het dik met suiker.

102. Pruimen en rhabarber hebben minder suiker nodig als men wat dubbelkoolzure soda er door mengt. Deze moet echter, voor men suiker erbij doet, met de pruimen of de rabarber opgekookt worden.

103. Citroenen leveren meer op, als men ze voor het gebruik in he fornuis wat verwarmt.

104. Te scherpe azijnsmaak bij komkommers e.d. verdwijnt, als men ze enige uren voor het gebruik in een oplossing van dubbelkoolzure soda (zuiveringszout) legt.

105. Ingelegde augurken krijgen een pikantere smaak, als men na enige weken alle kruiden uit het inlegwater haalt, opdat het helemaal helder wordt, door een doek giet en alleen de augurken er weer in doet.

106. Komkommers bij sla begiet men na het schillen met kokend water enkoelt ze dan in koud water af. De komkommersla kan men dan beter verdragen.

107. Gesneden of geschaafde komkommers houdt men uren vers, als men ze met karwij en wijnazijn aanmaakt, in inmaakglazen doet en met olie begiet. Ter verbetering van de smaak kan men een paprikapeul er bij doen.

108. Spijzen en dranken koelt men snel af, als men ze in een pot met koud water doet, waarin men eerst een handvol keukenzout heeft gemengd.

109. Kookluchtjes verwijdert men uit de keuken, door het plaatsen van een kom met heet water, waarin men wat lavendelolie druppelt.

110. Het aroma van de koffie wordt verbeterd, als men voor het opgieten van heet water in de gemalen koffie een snuifje zout doet.

111. Met cake bakken e.d. verdient het aanbeveling op de bodem van de vorm een goed met vet bestreken stuk perkamentpapier te leggen, dat precies op de bodem past. De cake laat gemakkelijker los.

112. Springvormen, die niet helemaal dicht zijn, bestrooit men voor het gebruik met paneermeel.

113. Gist onderzoekt men doordat men een stuk in een pot met heet water laat vallen. Wanneer de gist de oppervlakte bereikt, heeft hij zijn kracht behouden.

114. Deeg met gist rijst heel goed in de zon bij het raam. Wanneer geen verwarmd vertrek in de overgangstijd voorhanden is, beantwoordt een kussen als warmtegever aan dit doel.

115. De cake, taart enz. krijgt een mooie korst, wanneer men hem met melk bestrijkt vóór men hem in de oven schuift.

116. Cake e.d. brandt niet aan als men een kleine schaal water onder de bakplaat in de oven plaatst.

117. Vastklevend gebak kan men makkelijker uit de vorm halem, wanneer men hem een poosje op een natte doek zet.

118. Chocoladeglazuur op gebak wordt spoedig vast, wanneer men daaraan een eetlepel vloeibaar gemaakte palmine toevoegt. Snel aanbrengen.

119. Opdat bij het bakken van beignets het vet niet verbrandt, waardoor het baksel gauw te donker wordt, doet men enige erwten in het vet. Onder het bakken vervangt men deze.

120. Verse taarten zijn beter te snijden, als men het mes wat verwarmt of in heet water doopt.

121. Griesmeel en meel klonten niet, als men ze door een trechter giet.



NUTTIGE WENKEN VOOR DE HUISHOUDING.

122. Vensters maakt men schoon met warm water met azijn, spiegels daarentegen met een zwakke zeepoplossing.

123. Vensterkozijnen wrijft men na het schoonmaken in met boenwas.

124. Doffe ruiten worden door bewerken met regenwater bevochte brandnetels weer doorzichtig.

125. Doffe ruiten worden weer helder door afwrijven met puimsteenpoeder.

126. Is er niet?

127. Ruiten worden ondoorzichtig, wanneer men ze met een oplossing van ongeveer 1/2 pond zout op 1/4 liter witbier bestrijkt.

128. Ruiten beschermt men tegen vorst, doordat men ze met een in glycerine gedompelde lap afwrijft, laat drogen en daarna blank polijst.

129. Hard geworden zemelappen zeept men 's nachts in, wast ze uit in geest van salmiak en droogt ze in de schaduw.

130. Zemelap-imitatie kan men zich verschaffen, wanneer men restjes van leren handschoenen enz. in kleine stukken snijdt en deze op een koord tot een rol aaneenrijgt.

131. Beslaan van etalageramen wordt aldus voorkomen: men lost glycerine in spiritus op, laat dit staan, tot het helder wordt en neemt met deze oplossing, het liefst met een zemelap, de ruiten af.

132. Spiegels worden gauw dof, wanneer men ze zo hangt, dat de zonnestralen erop vallen.

133. Voor het schoonmaken van spiegels moet alleen ee zwakke zeepoplossing gebruikt worden.

134. Glas wordt weer helder, als men het met een schijfje citroen afwrijft.

135. Troebele glazen worden weer geheel doorzichtig, als men ze vrij lange tijd, gevuld met een oplossing van potas en salmiak, laat staan.

136. Troebelheid van persglas in de verdiepingen verdwijnt, als men de doffe plaatsen met een borstel met vochtig zout flink afboent. Naspoelen met sodawater en dan met schoon wate.

137. Weinig gebruikte karaffen van glas maakt men vóór het wegzetten met vloei- of filtreerpapier goed droog.

138. Glazen schotels borstelt men met lauw warm zout water af en droogt ze met een doek, waarop men van te voren wat geslibt krijt strooit.

139. Glazen springen bij het inschenken van hete dranken niet, als men er een vochtige doek omheen doet.

140. Glas wordt onbreekbaar, wanneer men het in een pot met koud water legt, waarin wat keukenzout opgelost is en het dan langzaam tot koken brengt. Na een half uur gekookt te hebben alles weer laten afkoelen.

141. Verfstrepen op glas kan men met geest van salmiak of groene zeep snel verwijderen.

142. Deksels met schroefsluiting op glazen maakt men los door ze voortdurend boven een vlam rond te draaien.

143. Glas kan men vijlen, als men de vijl met in benzine gedrenkte kamfer bestrijkt.

144. Glas kan men zonder stukken te maken, doorboren, wanneer men op de plaats van het boren een druppel terpentijn aanbrengt. Voor het boren is een gewone spiraalboor voldoende.

145. Dun glas is met een grote schaar te knippen, als men dit onder water doet (b.v. in een grote emmer).

146. Flessenhalzen kan men snijden, als men een in terpentijnolie gedompelde draad zorgvuldig om de desbetreffende plek aanbrengt, aansteekt en de nog warme fles dadelijk in koud water onderdompelt.

147. Op glas kan men met aluminium letters krassen.

148. Waterflessen maakt men schoon door uitspoelen met water, waaraan gesneden aardappelschillen worden toegevoegd.

149. Flessen reinigt men, doordat men krantenpapier in kleine stukjes scheurt, met zout water in de fles doet en krachtig schudt. Fijn gemaakte eierdoppen en schcoon warm water hebben dezelfde uitwerking. Goed spoelen.

150. Sterk ruikende flessen en vaatwerk verliezen hun lucht, als men ze met zwart mosterdmeel en wat warm water meermalen flink schoon spoelt.

176. Keukenplanken, die krom getrokken zijn, legt men een dag tussen natte doeken!

190. Witte deuren reinigt men met geslibd krijt. Een kopje daarvan met warm water roeren en de deuren daarmee bestrijken. Met schoon water naspoelen en met zachte doeken drogen.

194. Gasfornuizen maakt men practisch schoon, doordat men de ringen met de openingen voor het gas krachtig met een borstel bewerkt.

197. Vuile speelkaarten wrijft men met droge magnesia af en boent ze met een zachte schone doek na.

223. IJzer blijft jarenlang vrij van roest, als men het een kwartier in een oplossing van soda en potas legt en dan in de buitenlucht laat drogen.

226. Roestige hekken moet men voor het bewerken met een scherpe draadschuier schoonmaken en met warme lijnolie bestrijken.

261. Houten voorwerpen beschermt men tegen houtworm, als men ze met een als volgt samengestelde beits bestrijkt: keukenzout, peper, mosterdzaad, knoflook en alsem wordt in ongeveer dezelfde verhouding in azijnalcohol gekookt. Een of twee keer bestrijken.

262. Houtworm verwijdert men door penselen met carbolzuur of terpentijnolie op de door de houtworm aangevreten plekken.

263. Houtwormen vernietigt men, doordat men borden met eikels onder de wormgaten zet. De lucht van de eikels lokt de wormen uit de gaten, zodat men ze makkelijk doden kan.

264. Houtwormen gaan dood, als men in de wormgaten benzine giet en dan met was of kit afsluit. De zich ontwikkelende gassen doden de wormen.

270. Afgesplinterde mangelrollen omwikkelt men met flanel en naait het zo, dat het zeer strak zit.

277. Radiatoren van centrale verwarming veroorzaken een slecht lucht in de kamer, als men ze niet elke week vochtig afneemt.

284. Kerstbomen blijven langer goed, als men ze in een bak met vochtig zand plaatst en dit vochtig houdt.

289. Kaarsen branden langzamer op, als men om de pit tot poeder gewreven zout legt.

309. Huisdeuren beveiligt men, door de sleutel te laten zitten en hem door een draad zo te bevestigen, dat hij van buiten af niet eruit gestoten kan worden.

313. Zware meubels kunnen gemakkelijk verplaatst worden, als men spekzwoerd met de vette kant naar beneden onder de poten legt.

318. Eikenhouten meubelen wast men met warm nier af. Ze worden dan als nieuw!

328. Matrassen borstelt men van tijd tot tijd met een in benzine gedoopte borstel af.

329. Rieten meubelen worden mooi wit, als men op de volgende wijze te werk gaat: men lost in lauwwarm water enige eetlepels zuringzout (vergif!!) op en mengt er precies zoveel geslibd krijt doorheen. Met dit mengsel borstelt men de meubels goed af. Dan met azijnwater naspoelen.

334. Vloerkleden frist men op door bewerken met zuur kool.

342. Cocoslopers kan men het beste reinigen door ze in stromend water te hangen.

347. Olieverfschilderijen reinigt men door afwrijven met een doorgesneden ui.

356. Echte en valse diamanten kan men onderscheiden als men het sieraad of de afzonderlijke diamant in volkomen helder water legt. De echte diamant schittert onder water net zo als daarboven, de valse niet.

388. Glaslijm verkrijgt men als men vislijn in wijngeest kookt.

394. Zaklantarenbatterijen blijven langer branden, als men ze droog bewaart en bij het verminderen van hun lichtvermogen herhaaldelijk op de kachelpijp verwarmt.

398. Bezems mogen niet in de buurt van de kachel worden bewaard, daar de warmte voor de haren schadelijk is.

401. Toiletzeep droog te bewaren, dus niet op platte schalen leggen, maar op geribbeld carton of hout.

402. Zeep duurt langer, als men aan de onderkant een stukje staniool perst, waardor het oplossen van de zeep verhinderd wordt.

407. Sigarenkistjes verliezen de tabakslucht, als men enige druppels spiritus erin giet en direct verbrandt.

433. Koperen ketels zijn goed en vlug te reinigen als men ze van te voren met heet water vult.

434. Ketelsteen verwijdert men doordat men een half uur lang aardappelschillen in de ketel kookt, die de ketelsteen los weken.


HET VERWIJDEREN VAN VLEKKEN.

463. Hardnekkige inktvlekken verwijdert men door ze herhaaldelijk af te wrijven met terpentijn.

464. Inktvlekken op hout verwijdert men het beste met sterk zwavelzuur.

465. Inktvlekken op de handen verdwijnen door ze af te wrijven met de binnenkant van een citroenschil.

466. Vette jaskragen borstelt men af met verdunde geest van salmiak (1 deel op 10 delen water) en dan met schoon water naspoelen.

467. Glimmende vlekken in kamgaren stoffen verwijdert men, als men ze in een oplossing geest van salmiak en water (1:10) drenkt en de plekken met een warm bevochtigde borstel borstelt. Met schoon water naspoelen.

476. Soepvlekken op wollen stoffen verwijdert men door afwrijven met een mengsel van gelijke delen terpentijnolie en benzine. Met lauw warm zeepwater nabehandelen.

502. Schimmelplekken op het behang verdwijnen, als men ze met een mengsel van 1 deel salicylzuur en 4 delen spiritus aantipt.

503. Boter- en verfvlekken op papier verwijdert men door verwarmen van de vlek en bestrooien met bolus (zegelaarde). Vrij lange tijd laten liggen.

504. Vliegenvuil op stoffen verwijdert men door het voorzichtig af te wrijven met verdund lauw warm azijnwater.

515. Vlekken door schoencreme zijn met wijngeest weg te krijgen.

519. Punchvlekken in stoffen verwijdert men door water of vlekkenwater.

520. Vruchtenvlekken in tafellakens e.a. zijn goed te verwijderen, als men ze eerst met zout inwrijft.

521. Verse wijnvlekken zijn met citroensap weg te krijgen, als men ze eerst met zout bestrooit.

522. Vlekken door rode wijn behandelt men met goed gevolg door ze met groene zeep in te smeren en zo spoedig mogelijk daarop met lauw warm water uit te wassen.

523. Likeurvlekken verwijdert men met verdunde geest van salmiak; als ze kleurloos zijn, is schoon water voldoende.

524. Fruitvlekken zijn meestal met kokend water te verwijderen.

525. Fruitvlekken in stoffen krijgt men weg met zuivere spiritus, die men eerst met water verdunt.

527. Vlekken van blauwe bosbessen verdwijnen door ze met de binnenkant van een citroenschil af te wrijven of door er wat citroensap op te druppelen. Met lauw water naspoelen.

528. Vlekken door zwarte bosbessen en fruit verwijdert men met sodawater of verdunde geest van salmiak. Voorzichtig bij niet-wasechte stoffen!

537. Witte was wordt mooi wit, als men een citroenschil in stukjes snijdt en die bij het koken van de was in de ketel doet. (weet niet of het ook in de wasmachine kan?)

538. Witte was wordt extra wit, als men een linnen zakje met eierdoppen in het waswater meekookt. (Ook hier geldt: ik weet niet of het in de wasmachine ook werkt?)

541. Zwarte zijden stoffen wast men in een aftreksel van thee, waarbij men wat suiker gedaan heeft. De nog natte zijde aan de verkeerde kant strijken.

542. Zijden en kunstzijden kousen spoelt men in water, waaraan wat azijn toegevoegd wordt.

550. Gekleurde was alleen in de schaduw ophangen.

551. Gekleurd goed wast men snel en wel in azijnwater. Tussen doeken rollen, dat geen plek de andere aanraakt. Snel drogen en dan aan de verkeerde kant niet te heet strijken.

552. Licht blauwe verschoten kleren wast men in water, waarin men enige druppels blauwe inkt heeft gedaan.

553. Gekleurde crepe marocain verkleurt gauw bij het strijken, vandaar eerst proberen op een plek, waar het niet op aan komt.

554. Gekleurde katoen blijft bij het wassen kleurvast, wanneer men bij het waswater wat azijn doet of in een loog van houtzeep wast.

587. Alle gladde lakensoorten moeten aan de verkeerde kant gestreken worden.

604. Sous bras kan men zelf maken als men van te voren op maat geknipte stukken batist enige malen in azijnzure aluinaarde legt en droogt.

SCHOENEN EN HUN BEHANDELING.

629. In natte schoenen brengt men, om ze te drogen, spanners aan, of als deze niet beschikbaar zijn oude lappen of krantenpapier.

630. Dof geworden schoenen worden weer glanzend, als men ze met een doorgesneden ui inwrijft en met een wollen lap nawrijft.

631. Waterdichte schoenen krijgt men, als men de schoenen enige uuren in een flink dikke zeeploog zet en goed laat drogen.

643. Lastige transpiratielucht verdrijft men uit schoenen, als men ze met overmangaanzure kali uitwrijft.


BLOEMEN EN HUN VERZORGING.

653. Bloemen steeds van boven begieten. Luchtgat steeds open houden, nooit water in de schoteltjes gieten.

654. De onderste opening bij bloempotten belegt men niet met scherven, maar met beenderresten, daar deze aan de planten belangrijke voedingsstoffen geven (kalk).

655. Kamerplanten worden extra krachtig, als men bij het gietwater een paar druppels spiritus doet.

656. Bloemen worden automatisch begoten als men op een tafel, waaromheen men de bloemen geplaatst heeft, een emmer koud water zet, en van de bodem van de emmer wollen draden naar de bloemen leidt. De wollen draden zuigen zoveel water op, als de bloemen nodig hebben.

657. Bloemenmest wordt door de bloemen makkelijk opgenomen, als hij van te voren in water opgelost wordt.

658. Kamerbloemen begiet men met goed gevolg met water, waarin vlees afgewassen is. Dat is goede bloemenmest.




BELANGRIJKE TUINADVIEZEN.

694. Plant men hennep om groentebedden, dan zijn deze tegen rupsen en insecten beschermd.


HUISDIEREN EN HUN VERZORGING.

707. Om honden tegen ongedierte te beschermen, legt men in het hondenhok of bij kamerhondjes in hun mand gedroogde varens.

708. Een hond reinigt men door zijn huid met een stevige borstel met gebruik van zeep van kaliloog tegen de draad in te borstelen en hem dan laat zwemmen. In de winter slechts in de kamer warm afwrijven.

715. Honden gaan hoeken van huizen uit de weg door deze te bestrooien met zwavelbloem, snuiftabak of peper.

717. Kippenhokken houdt men vrij van luis, als men herhaaldelijk kalkt en droge varens op de grond legt.

718. Kippen moeten meer leggen, als men zwarte karwij door het voer mengt.


HET VERDELGEN VAN ONGEDIERTE.

724. Muizen en ratten blijven uit de kelder weg, als men elk voorjaar de muren met kalk vewerkt waaraan men wat ijzervitriool toegevoegd heeft.

730. Muizen verdrijft men, als men tot poeder gewreven oleanderbladeren met droog zand vermengt en in de gaten strooit.

736. Een dode rat, in teer gedompeld, verdrijft de andere.

748. Mieren verdrijft men wanneer men suiker met petroleum mengt, op de aangetaste plekken uitstrooit en aansteekt.

753. Kakkerlakken vangt men met poetslappen, die men in bier gedompeld heeft en gedurende een nacht neerlegt. De kakkerlakken verzamelen zich erin en kunnen 's morgens opgeveegd en verbrand worden.

755. Kakkerlakken verdrijft men, als men schillen van komkommers in de reten legt.

762. Een goede tip tegen vliegen zijn brandnetelstruiken die men voor het venster plaatst.

732. Muizen verdrijft men door het neerleggen van pepermunttakjes en wilde camillen. Ze kunnen de lucht van deze planten niet verdragen.

772. Wollen dingen en bont zijn in krantenpapier gewikkeld absoluut beschermd tegen motten, daar motten krantenpapier mijden.

774. Motten verdrijft men als men in de desbetreffende kamer, kast e.d. azijn verdampt.

789. Wandluizen houden van droogte, daarom hebben ze een hekel aan het dagelijkse dweilen der kamers met zout water (100 gram op een emmer water).


LICHAAMS-, GEZONDHEIDS- EN SCHOONHEIDSVERZORGING.

796. Een goed uiterlijk krijgt men door 's morgens aan gymnastiek te doen.

800. Appels, laat op de avond gegeten, bevorderen het inslapen.

801. Tegen slapeloosheid helpt lauwe kamillethee, waarin men een paar druppels valeriaan gedaan heeft.

817. Mensen met rode neuzen moeten weinig vlees, maar veel groente en nog meer fruit eten en alle kruiden vermijden, vooral de buitenlandse.

840. Z.g. baarduitslag wordt verwijderd, als men 3 nachten achter elkaar een dikgestreken masker van groene zeep aanbrengt.

890. Haaruitval bestrijdt men door de hoofdhuid dagelijks in te wrijven met: 60 gr. gezuiverde klitwortels met 2 liter water voor de helft inkoken, zeven, 1/4 liter franse brandewijn erbij doen en de vloeistof in een goed met een kurk gesloten fles bewaren.

892. Het eenvoudigste middel tegen roos zijn afwassingen met sodawater, waarna inwrijven met goede haarolie.

893. Wimpers en wenkbrauwen houdt men glanzend en soepel als men ze dagelijks met ricinusolie inwrijft.

902. Bij hoofdpijn door bloedaandrang naar de hersenen maakt men vochtige voet- en beenomslagen.

910. Tegen oorsuizen helpen enige druppels uiensap op katoen in de oren gedruppeld. Tegelijkertijd een warm voetbad met azijn.

932. Bij bloedneuzen ademt men verdund citroensap in.

950. Warm water met eidooier vermengd, verzacht hoestprikkeling.

951. Cypresolie in de kamer fijn gespoten en op het hoofdkussen gedruppeld lenigt hoestprikkel aanmerkelijk.

952. Als drank gedurende de ziekte wordt aanbevolen thee van de bladeren van hoefblad met kandy.

953. Tegen hoesten en heesheid is hete sap van vlier en braam zeer goed gebleken.

960. Bij heesheid, gepaard gaande met hoesten na kouvatten, is een goed gekookte of gebraden en om het strottenhoofd gebonden ui een beproefd middel.

975. Opgezwollen wangen warm houden en hete omslagen van kamille maken. Tandarts raadplegen!

977. Tanden worden mooi wit, als men ze vaak met kalmoes wrijft. Ook het eten van verse pruimen is goed, zowel voor de tanden als voor het lichaam.

1065. Blaren op de voeten behandelt men door er 's nachts een in alcohol gedrenkt linnen lapje erop te leggen.

1075. Bevroren handen en voeten elke avond met citroensap inwrijven.

1076: Bevroren ledematen wast men met een aftreksel van in de schil gesneden uien.

1077. Winterhanden en -voeten wrijft men met sneeuw in. De desbetreffende ledematen met wollen kleding goed warm houden.

1078. Winterhanden en -voeten genezen, als men ze met een in petroleum gedrenkte linnen lap bedekt, die men met een band vast maakt.

1079. Tegen winterhanden en -voeten helpt een plaatselijk, 15 minuten durend bad in een aftreksel van groene dennenaalden.

1080. Tegen winterhanden en -voeten baadt men de delen in een pap, die men verkregen heeft door sparretakken enige tijd te laten koken. Enige malen herhalen.

1081. Bij winterhanden en -voeten baadt men de delen afwisselend in koud en heet water met eikenschors.